

Twee bootjes leggen aan
bij de brug bevolkt door drie jongens, twee meisjes en een hondje. De twee
stoerst uitziende jongens – type gabber, driekwart broek, ontbloot gespierd
bovenlijf, tatoeages - stappen uit. De meisjes – type vriendinnetje van gabber,
bikini - stappen ook uit en nemen het hondje mee. De derde – type goedzak –
blijft in de boot, drankfles onder handbereik. ’t Lijkt een fles rosé. Maar ik
vraag me af of het klopt. Drinken gabbers rosé?
De twee gabbers springen
een paar keer van de brug in het water. De achterwaartse salto van de jongen
die onmiskenbaar de leider van het stel is, oogt indrukwekkend.
De twee meisjes kijken toe
vanaf de kant. De ene met een heel lichte huid draagt een helblauwe bikini. Ze
heeft een figuur dat je niet veel ziet. Dunne benen, smalle heupen, nauwelijks
een kont, maar wel mooie grote borsten en een iets uitpuilend buikje zoals
kleuters die wel hebben. Toch is ze sexy. Ik gok dat zij de vriendin van de
salto-man is.
Het andere meisje heeft
een ‘gewoner’ figuur. Geen uitzonderlijk grote borsten, bredere heupen, billen
die verraden dat ze te weinig aan sport doet. Haar gele bikini kleurt goed bij
haar mooi gebruinde huid.
Nog een paar sprongen. Dan stappen de jongeren weer
in de boten en varen ze verder.
Op zonnige dagen lijkt heel
Rotterdam wel uit te rukken om langs of op De Rotte te gaan recreëren. Op de
kades verdringen wandelaars, tourfietsers, wielrenners, atb-ers en mensen op
skeelers elkaar. Op het water trekt een bonte stoet aan sloepen, kano’s en
jachtjes voorbij. De bruggen zijn geliefd bij mannelijke adolescenten. Ze
wedijveren met elkaar wie er het stoerst vanaf springt.
Als je graag naar mensen
kijkt en luistert, kun je op een bankje langs de kant je hart ophalen.
Op een van de bankjes voor
restaurant De Lindehoeve vertelde een oudere man over zijn leven aan kennissen
die hij op zijn fietstochtje was tegengekomen. Een triest verhaal. Zijn vrouw
was onlangs bij hem weggelopen voor een andere man. Hij had longkanker gehad.
En het spaarpotje van 40.000 euro dat hij dacht te hebben, was een schuld van
15.000 euro gebleken. Hoe dat zat, kon ik uit het verhaal niet opmaken – een aandelenlease-constructie
misschien?
Zijn kennissen, een
echtpaar, probeerden hem op te beuren. Moest hij niet eens gaan denken aan een
nieuwe vrouw? Nee, dat zag hij niet zitten. Hij werd wel eens uitgenodigd hoor,
voor een kopje koffie. Maar alleen van op de koffie gaan bij een vrouw kreeg
hij het al Spaans benauwd. Nee, dan ging hij liever langs De Rotte fietsen. Hij
hield van De Rotte.
Het echtpaar wenste hem
sterkte en ging verder. Ze waren nog niet weg of een ander ouder echtpaar
schoof aan op het bankje bij de man. ‘Hee, hoe gaat het?’ Weer het hele
verhaal. Vrouw weggelopen, longkanker, een schuld van 15.000 euro. Weer kon de
man zich een half uurtje wentelen in medeleven.
Langs De Rotte fietsen als therapie.


Er broedt
weer een merel in de voortuin. Gelukkig dit keer niet in de roos pal naast de
voordeur. Telkens als we de deur uitgingen, bezorgden we het diertje een
hartverzakking. Dit jaar nestelen ze in een dichte donkergroene struik langs
het tuinpaadje. Ik kan het niet laten om bij het voorbijgaan telkens even
tussen de bladeren door te gluren. Daar zit ze dan weer. Moeder merel vastgekleefd
op het nest. Een groot starend oog. Een hysterische blik. Pa die opgewonden
roepend van tak naar tak hipt in een poging je aandacht af te leiden.
Maar de
ellende begint pas als de jongen straks het nest verlaten. Onhandige dikke
wezens zonder staart, die nog niet kunnen vliegen. Die wat hulpeloos in de
voortuin rondscharrelen roepend om hun moeder. Een makkelijke prooi voor
katten, waaronder onze eigen. Laffe theemutsen die bij het zien van die sneue
donsbollen in kille moordmachines veranderen. Hoe vaak heb ik niet zo’n vogeltje
voor de klauwen van een van onze katten van de grond opgeraapt en op een tak
gezet? Om dan soms toch nog te moeten toekijken hoe het diertje even later
alsnog een vreselijke dood sterft.
Ik hoop dat
die ellende ons dit jaar bespaard blijft.
Update: drie jonkies geboren!

‘Als je zwartgallig bloed in je aderen hebt, ben je onder de mensen evenmin op je plaats als een grafschrift midden in een circus.’ Hij leed aan ernstige depressies en extreme slapeloosheid. Hij haatte filosofische systeembouwers als Aristoteles, Thomas van Aquino en Hegel. (‘The worst form of despotism is the system, in philosophy and in everything’) en schreef daarom zelf in aforismen: korte, stevige, op zichzelf staande statements. Emil Cioran (1911 – 1995) werd geboren in Roemenië, maar vertrok toen hij halverwege de dertig was naar Parijs. Daar bouwde hij een bescheiden roem op in literaire kringen. Maar voor het grote publiek bleef hij een onbekende. Hoewel nihilist en misantroop in hart en nieren stierf hij niet vroegtijdig door eigen hand, maar bereikte de keurige leeftijd van 84 jaar. ‘Wie, uit verstrooidheid of onbekwaamheid, de mensheid ook maar enigszins in haar opmars zou stuiten, is een weldoener’, schreef hij stoer. Maar dan weer aandoenlijk: ‘Hoe meer de mensen mij onverschillig zijn, hoe meer ze mij in verwarring brengen; en als ik ze minacht, kan ik ze niet benaderen zonder te stotteren.’ En: ‘Met verschrikking beleef ik de vermindering van mijn mensenhaat, de losmaking van de laatste band die mij met hen verenigde.’

Gelukkig voor hem overleed hij jaren voor de plaag van het publiekelijk en schaamteloos mobiel bellen zich in volle omvang openbaarde. Al zou je haast denken dat hij deze voorzag. Zo schreef hij: ‘Het enige heil zit in de nabootsing van het zwijgen. Maar onze praatzucht dateert van vóór de geboorte. Behorend tot een ras van praatjesmakers en woordrijke spermatozoïden, zijn we chemisch gebonden aan het woord.’ En: ‘Men kan niet weten of de mens zich nog lang van het woord zal bedienen of dat hij geleidelijk aan de gewoonte om te brullen zal terugkrijgen.’ Nee, een liefhebber van het woord was hij niet, net zomin als van de ratio. ‘Zonder de heerschappij van het begrip, zou de muziek de plaats hebben ingenomen van de filosofie: dat zou het paradijs geweest zijn van de onuitsprekelijke vanzelfsprekendheid, een epidemische verrukking.’ Net als Nietzsche, die andere grootmeester van het aforisme, hamerde Cioran clichés en quasi diepe inzichten aan stukken. Over het lijden schreef hij: ‘Als ongewilde aanslag op onszelf, dwingt ziekte ons tot ‘diepte’, veroordeelt ons ertoe. – De zieke? Een metafysicus tegen wil en dank.’ Zelf word ik altijd vrolijk van zoveel cynisme en somberheid. De wetenschap dat er iemand heeft geleefd die mij zelfs in mijn chagrijnigste ogenblikken nog overtrof in zwartgalligheid. En dan komt hij – onverwacht en min of meer terloops – toch nog een advies over het goede leven: ‘Der dagen geur en smaak ontdekt men slechts wanneer men zich onttrekt aan de verplichting een lotsbestemming te hebben.’ Precies!

Waar water is, zijn reigers. Bij ons in de buurt
wemelt het ervan. Maar ze blijven fascineren. Met hun bedachtzame tred. Hun
dolksnavel. Hun zijdelingse wantrouwende blik als je ze voorbijloopt. De manier
waarop ze eindeloos lang als bevroren langs de waterkant staan om dan heel
plotseling pijlsnel uit te vallen naar een kikker of een vis.
Een van de mooiste gedichten die ik ken, gaat over
een reiger. Het is
van Jan Willem Schulte Nordholt en het heet ‘Reiger op het Binnenplein’.
Een tovervogel daalt neer
op het rechtlijnige plein
van onze dag van vandaag
vanachter glas en staal
kijkt het veelvuldig oog
van het kind dat wij goddank zijn
hem vol verwondering aan.
Hij duikt in zijn dons, hij denkt na
dieper waarschijnlijk dan wij,
hij heeft ook veel meer tijd
en zo oneindig veel meer ruimte.
Hij kleurt bij het zink van het plat,
een zuilenheilige op zijn eigen
ernstige poot, een grijze wijsgeer.
Eigenlijk zou hij erelid moeten zijn
van iets dat wij allemaal samen
voelen en willen, maar het heeft nauwelijks
een naam, noem het verlangen.
Maar hij ontstijgt. Reikhalzend
staat hij een ademloos ogenblik,
een trillende antenne. Dan spreidt
hij de majesteit van zijn vleugels.
Hij verheft zich hemelsbreed
boven ons op de aarde. Wij zijn
weer zeer met elkander alleen.
Uit: Verzamelde gedichten (Baarn: de Prom, 1996)
Eén van de zegeningen van in Hillegersberg wonen, is dat je rond de plas kan wandelen. Dat doen wij elk weekend minstens één keer. Aan het eind van ons rondje kopen wij in het dorp een haring. Die eten we dan op zittend op een bankje met uitzicht over de plas. Nu in deze tijd is dat extra leuk. Niet alleen omdat er nieuwe haring is (goddelijk!), maar ook omdat de ganzen die bij de plas bivakkeren jongen hebben. Vooral de nijlganzen kunnen er wat van. Een paar jaar geleden telden we een nest van wel twaalf jongen. Rare wezentjes met tijgerstrepen op hoge poten.

Anders dan Michiel Smit van Nieuw Rechts beweert, zijn onze nijlganzen goed ingeburgerd. Ze leven in perfecte harmonie samen met een grote groep gewone Hollandse ganzen. Laatst kwamen we hem tegen op straat, Michiel Smit, niet ver van de plas. Zou hij onze nijlganzen hebben gespot? Helemaal vertrouwen doe ik het niet. Vorige week bestond het nijlganzennest nog uit vijf jongen. Dit weekend waren het er nog maar vier…
Polder Schieveen ten noorden van Rotterdam. Nu nog groen en open. Een paradijs voor weidevogels. Wij komen er graag. Kijken en luisteren naar de grutto’s, kieviten, scholeksters en tureluurs. Maar ook dit laatste snippertje groen bij Rotterdam moet volgebouwd worden. Er komt een ‘hoogwaardig’ bedrijventerrein. De gemeente Rotterdam werkt samen met Natuurmonumenten aan dit plan. Natuurmonumenten nota bene! En wij maar denken dat die er zijn om de natuur te beschermen…

Maar Natuurmonumenten kan het uitleggen. Het is namelijk zo, zeggen ze, dat de weidevogels toch achteruit gaan in het gebied. En dus kun je er net zo goed een bedrijventerrein aanleggen. Want een deel van het geld dat Rotterdam daarmee verdient, wil de gemeente wel besteden aan het aanleggen van een stuk nieuwe natuur. En die nieuwe natuur – je raadt het al – gaat Natuurmonumenten dan beheren. ‘Rood voor groen’, heet zo’n deal wel in de wereld van de ruimtelijke ordenaars. Of ook wel ‘ontwikkelingsplanologie’. Of ‘een gebiedsgerichte aanpak’. Mooie woorden, maar feit blijft dat er weer een stuk groen wordt volgebouwd, waar nu nog koeien grazen en grutto’s roepen. Feit blijft dat Natuurmonumenten daar aan meewerkt.

Voor die grutto’s is straks geen plaats meer. En ook niet voor de kieviten, scholeksters en tureluurs. Want die zogenaamde nieuwe natuur is er vooral voor de mensen, die er moeten kunnen fietsen en wandelen. En mensen, daar houden weidevogels niet van. Dus moeten ze maar opzouten, vindt Natuurmonumenten. Om plaats te maken voor vogelsoorten, die niet zo moeilijk doen. Leuk hoor vogels, zegt de grootste natuurbeschermingsorganisatie van Nederland kennelijk, maar voor vogels die zich niet een beetje kunnen aanpassen, is bij ons geen plaats.

Meer archieven
2005 April
2005 Juni
2005 Juli
2005 Augustus
2005 September
2005 Oktober
2005 November
2005 December
2006 Januari
2006 Februari
2006 Maart
2006 April
2006 Mei
2006 Juni
2006 Juli
2006 Augustus
2006 September
2006 Oktober
2006 November
2006 December
2007 Januari
2007 Februari
2007 Maart
2007 April
2007 Mei
2007 Juni
2007 Juli
2007 September
2007 Oktober