Waar ik vroeger woonde, in Zwolle, was een
Scheepstra-school. Misschien is die school wel naar Hindericus Scheepstra
genoemd.
Ik had nog nooit van de goede man gehoord. En waarschijnlijk
geldt dat voor heel, veel mensen. Ot en Sien daarentegen kent iedereen. De uit
het Drentse Roden afkomstige onderwijzer Scheepstra was de schrijver van de
boekjes over Ot en Sien die tot ons collectieve historische bewustzijn behoren.
Scheepstra’s onbekendheid steekt niet alleen schamel af bij
de roem van het door hem geschapen dus, maar ook bij die van Cornelis Jetses,
die de boekjes illustreerde. Gelukkig eert Roden, Scheepstra’s geboorteplaats,
hem met dit beeld.
Wie Roden binnenkomt vanuit het dorpje Lieveren
rijdt er vanzelf tegenaan. Een passende plek. Hier is Drenthe nog zo idyllisch
en rustiek dat het niet veel moeite kost jezelf terug te wanen in de tijd van
Ot en Sien.


Terug naar de tijd van Ot en Sien. In Drenthe is dat niet zo
moeilijk.
Filosoof Maarten Doorman betoogt in zijn boek ‘De
romantische orde’ dat ons tijdsgewricht nog steeds door en door romantisch is.
De jongerenrevolte van de jaren zestig, de hedendaagse verering van het
jongzijn, onze ongebreidelde hang naar zelfontplooiing, naar authenticiteit,
naar worden wie je in diepte wezen bent. Allemaal uitingen van onze in de romantiek
ontstane manier van ervaren van de werkelijkheid.
Voor onze beleving van natuur en landschap gaat de hypothese
van Doorman beslist op. Goethe en Wordsworth zijn nog springlevend. De natuur
als spiegel van het gemoed. Als bron van inspiratie. Het landschap als plek om
in contact te komen met een geďdealiseerd verleden. Met het hogere, of met het
andere. Met ‘het buiten van de geest’ zoals de hedendaagse romanticus Ton
Lemaire, het noemt..
Er wordt door sommige deskundigen met dédain over deze
ouderwetse manier van beleving van natuur en landschap gesproken. De natuur is
niet bezield, zeggen zij. Maar een object, waarover wij vrijelijk kunnen
beschikken. Een ding dat maakbaar is. Dat wij geheel naar onze zin kunnen
inrichten.
Die deskundige hebben natuurlijk gelijk. De natuur ěs voor
ons ook een object. Iets om volkomen naar onze hand te zetten. Wij richten onze
zogenaamde vrije natuur in zoals we dat met onze achtertuin doen.
En juist dat vermogen stelt ons in staat om onze romantische
neigingen uit te leven. Om het Drentse landschap zo te maken dat we er ons
terug kunnen wanen in de tijd van Ot en Sien.
En zolang het dit soort prachtige plaatjes op levert, zie ik
niet wat daar mis mee is.

De winter is hardnekkig dit jaar. Terwijl het voorjaar staat te dringen, de vogels ’s morgens steeds harder gaan fluiten en opzichtig met takjes in het rond beginnen te vliegen, ik ’s nachts wakker word van krols kattengejank en die vervelende kater uit de buurt net als vorig jaar ’s nachts weer door ons kattenluikje naar binnenkomt om onze gang onder te sproeien (die theemutsen die zich onze poezen noemen, doen er toch niks op uit), blijft de winter ons maar halsstarrig lastig vallen met nachtvorst, plotselinge sneeuwbuien en gladde wegen. Veel mooie plaatjes heeft ie ons gegeven dit jaar, zoals dit idyllische beeld van een mistroostige pony in een wit weiland. Maar van mij mag tie weg, de winter. Geef mij zon, warmte en bloemen.

Er schijnt iets bijzonders aan de hand te zijn met de luchten boven het Nederlandse polderland. En wie de moeite neemt regelmatig even stil te staan en de blik naar boven te richten, kan dat bevestigen. Nooit, geen dag ziet de hemel boven Nederland er hetzelfde uit. Altijd is de lichtval, zijn de wolken anders. Geen wonder dat ons land zoveel grote schilders heeft voortgebracht. En landschapsfotografen inspireert. Er is zelfs een film over de mythe van het Hollandse licht gemaakt die ik altijd nog een keer wil gaan zien. Kijk op Hollands Licht.