Ik ben jaloers op alle mensen die in het Groningse Westerkwartier wonen. In idyllische dorpjes als Garnwerd, Feerwerd en Aduarderzijl. Maar het meest jaloers ben ik op de bewoners van de Allersmaborg. Niets groots en meeslepends. Een bescheiden landhuis omringd door een klein, maar fijn park in Engelse landschapsstijl. Een oase van stijl en beschaving in het ruw gebolsterde Groningse boerenland.
Op deze verstilde winterdag verwacht ik dat elk moment een ijsvogeltje over het water scheert. Maar zonder dat is het ook goed.
De bietencampagne is in volle gang. Grote rookpluimen
torenen boven de stad Groningen uit. In het westen van de stad een zware
allesdoordringende lucht van gekookte bieten.
‘Houd suiker in Nederland’ staat op een groot geel spandoek.
Nieuw Europees beleid dreigt de Nederlandse suikerboeren de das om te doen.
Of dat erg is? Ik zou het niet weten. Bieten zijn geen
gewassen die het landschap er bepaald mooier op maken. Net als maïs en
aardappels. Anders dan graansoorten.
Maar die machtige fabrieken van CSM en de Suiker Unie langs
het Hoendiep in Groningen hebben wel een speciaal soort schoonheid. Stukjes
industrieel erfgoed. Robuust, machtig, afschrikwekkend. Maar tegelijkertijd op
een bepaalde manier aandoenlijk en kwetsbaar.


Je waant je er ver terug in de tijd. Heel ver.
Dorpjes die
Feerwerd heten. En Aduarderzijl. Een lang kanaal. Strenge bomenrijen langs
smalle weggetjes met afgesleten asfalt. Een oud kerkhofje. Uitgestrekte weidse
verten met vette Groningse klei. Geen rijkdom. Maar een paar grote herenboerderijen. Verder
gehuchten en wierdendorpjes. Met onooglijke huisjes.
Nu wonen er vast wetenschappers van de Groningse
universiteit in. Alternativo’s die lang geleden al de stad zijn ontvlucht. Maar
vroeger moeten de bewoners hier bittere armoede hebben geleden.
Het soort
armoede waar ik als kind over las in de boeken van WG van de Hulst. En waar je
uit een soort volstrekt vals sentiment ineens naar kunt verlangen.
