Wie een huisje in het bos heeft, gaat zich vanzelf verdiepen in bomen. Mijn lievelingsboom is het rode beukje dat op een paar meter van onze voordeur afstaat. Erg groot is ze nog niet. Een puber nog. Of wat ze vroeger wel een ‘bakvis’ noemden. Maar zo jong als ze is, zie je al hoe mooi ze later zal worden. In de zomer met bladeren die afhankelijk van de lichtval diepgroen of purperrood kleuren. Nu in de herfst met helgele bladeren. Ik zou het liefst alles wegnemen wat haar groei kan belemmeren – zoals de overhangende takken van een grote den. Maar dat heb ik er nog niet door gekregen. Dus moet ze voor zichzelf opkomen. Haar eigen plek in onze bostuin veroveren. Mijn mooie purpurea.


Ik ben gek op pannenkoeken. Spekpannenkoeken, iets anders
eet ik niet.
Vol goede moed probeerden wij een tijdje geleden het
pannenkoekenrestaurant van Norg. Mocht het Algemeen Dagblad naast oliebollen en
haring binnenkort besluiten pannenkoeken te gaan beoordelen, dan wil ik deze
graag aanmelden voor de allerlaatste plaats. De categorie ‘zou van
overheidswege verboden moeten worden’ ofzo.
Nietsvermoedend bestelden wij. In onze onschuld rekende wij
erop dat een restaurant dat zich pannenkoekenrestaurant noemt een fatsoenlijke
pannenkoek op tafel kan zetten. Hij hoeft niet eens super te zijn, maar gewoon
oké moet toch haalbaar zijn.
Hoe naïef.
We begonnen ons bezorgd te maken toen de pannenkoeken werden
geserveerd. Ik had zoals gewoonlijk een spekpannenkoek besteld. M. die dacht ‘Kom
ik doe eens wild’ koos voor een boerenpannenkoek (ofzoiets), rijkbelegd –
althans volgens de menukaart – met appel, rozijnen, champignons, uien
enzovoort.
Wat schetst onze verbazing toen de beide pannenkoeken niet
van elkaar te onderscheiden bleken. De serveerster keek wat mismoedig naar de
borden en zette ze toen op de gok voor ons neer. ‘Ik denk dat dit de
spekpannenkoek is’, zei ze met een weifelende blik in mijn richting.
Verbijsterd keken we naar ons bord waarop een pannenkoek lag
met daaroverheen (als was het een pizza) een ondefinieerbare massa tot
piepkleine snippers verhakselde ingrediënten.
Hoewel ik verging van de honger na een dag grote
voorjaarsschoonmaak had ik meteen gegeten en gedronken. Het leek wel of over de
pannenkoek een blik kots was heengegooid. Toen ik dat zei, kreeg ik een schop
onder de tafel en een waarschuwend ‘Proef eerst maar eens’ toegevoegd. Helaas,
de smaak kwam erg overeen met de visuele indruk. Na drie happen gaf ik op.
Ik weet niet waarom we afgelopen weekend bij het vallen van
de avond ineens de aanvechting hadden om een foto te maken van het
pannenkoekenhuisje in Norg. Misschien een stukje traumaverwerking?
Dat ging nog niet zomaar. M. had zijn camera nog niet gepakt
om de schilderachtig verlichtte raampjes van het tentje vast te leggen, toen de
serveerster naar buiten stiefelde: ‘Wat moet dat?’ Alsof ze nattigheid voelde. M.
mompelde wat, schoot snel als een paparazzi een plaatje (vandaar de matige
kwaliteit) en maakte zich snel uit de voeten.
Tegen iedereen die in Norg pannenkoeken wil gaan eten,
zeggen wij in elk geval: huur maar liever een videootje.
‘Limburgse
oehoes dood door gif’ las ik in NRC. Een treurig begin van mijn weekend.
Jaren geleden al weer gingen wij kijken naar de oehoes in de
ENCI-groeve op de Sint Pietersberg bij Maastricht. Een broedpaartje bracht er
voor het tweede of derde jaar een stel jongen groot.
Plaatselijke vogelaars hadden langs het pad tussen wat
struiken een onofficiële uitkijkplaats gecreëerd. Van daaruit kon je de groeve
overzien. Op een richel in de steile wand aan de overkant hadden ze hun nest
gebouwd.
We waren niet de enige bezoekers op die mooie avond in juni.
Toen we aankwamen, stond al een groepje mensen zwijgend door telescopen en
verrekijkers te kijken. Er heerste een gewijde, eerbiedige stilte.
Een jonge man met een bol, blozend gezicht en een telescoop
zo groot dat hij eerder bedoeld leek om verre planeten te bekijken dan vogels
wees ons een plekje toe. Hij leek de onofficiële beheerder van de uitkijkplaats.
De hogepriester.
Met zijn hulp kreeg ik ze met enige moeite in de lens van
mijn telescoop. De beide volwassen oehoes die met hun verenkleed van vele
schakeringen beige en bruin de perfecte schutkleuren hebben voor het bewonen
van een mergelgroeve.
Een van de jongen zat op een richel niet ver van het nest.
Een aandoenlijke pluizige teddybeer, verwonderd om zich heen kijkend. Onwetend
van het vreemde wezen mens dat hem vanaf de overkant van de groeve in
religieuze aanbidding aanstaarde, maar dat ook het bijna uitsterven van zijn
soort heeft veroorzaakt.
Nu zijn ze dood. Misschien niet speciaal onze oehoes, maar
toch. Dood door gif (pcb’s) waarmee wij mensen met onze industrie de aarde
decennialang hebben verziekt.
De Amerikaanse biologe Lynn Margulis noemde de
mens eens een pioniersoort. Dat is een soort (meestal wordt de term voor
planten gebruikt) die een braakliggend stuk grond als eerste in gebruik neemt.
Vervolgens gaat woekeren en daarmee de eigen ondergang bewerkstelligt, doordat
voedingsstoffen opraken en de individuen van de soort elkaar verstikken.
Na het verdwijnen van de pioniersoort komen nieuwe soorten.
Meer bescheiden soorten die niet gaan woekeren, maar ook anderen een plek
gunnen. Zo ontstaan biodiversiteit en ecologische rijkdom.
Volgens Margulis heeft de mensheid het punt bereikt waarop
het stuk grond dat we hebben gekoloniseerd (de gehele aarde) ons niet meer kan
voeden. We hebben de aarde ‘uitgewoond’.
Vreemde gedachte dat de aarde een zoveel mooiere en rijkere
plek zal zijn als de mens eenmaal is verdwenen.
Ik hoop dat de oehoes het tot die tijd uitzingen.
Ik gun ze een plekje op die nieuwe mensloze aarde.

Nee, ik behoor niet tot de orde van politiek correcte
milieubeschermers die elke aantasting van het landschap verfoeien, maar
windmolens ineens wel mooi vinden.
Ik ben gewoon een recht toe recht aan romanticus. Vroeger
was alles beter. Dorpjes behoren pittoresk te zijn. Het platteland idyllisch,
zoals het honderd jaar geleden was. Liever nog vandaag dan morgen terug naar
het landschap van de plaatjes uit de Verkade-albums van Jac. P. Thijsse. Naar
de tijd van Ot en Sien.
Maar soms, heel soms, kan iets wat nieuw is,
modern, van deze tijd toch mooi zijn. Zoals de windmolens langs de
IJsselmeerdijk bij Swifterbant op een nevelige herfstavond tegen een
ondergaande zon.
Drie vreemde witte wezens oprijzend in het gras. Twee met
hoed, één met pijpenkrullen. Feestgangers. Gekleed en opgedoft voor het grote
paddestoelenherfstbal.
Waarom nog leeuwen en olifanten willen zien in Afrika, haaien
voor de kust van Australië, walvissen bij Groenland, als je ook naar
inktzwammen in het Noordlaarderbos kunt kijken?


’t Is maar een onooglijk gebiedje. ’t Ligt pal langs de A28.
Vlakbij het punt waar de snelweg het mooiste beekdal van ons land – dat van de
Drentsche Aa - aan flarden scheurt. Als je erin slaagt het geraas van de auto’s weg te denken,
kun je je hier op een nevelige najaarsdag heerlijk terug wanen in de tijd.
Een gebiedje zonder veel pretenties. Water, rietkragen,
weilanden met Shetlandpony’s. Meer is ’t niet. Maar genoeg om de nostalgie te
laten toeslaan. Konden we maar terug naar het Nederland van anderhalve eeuw
geleden toen er nog geen snelwegen, auto’s en vliegtuigen waren.
Hoe lang duurt het nog voor vliegtuigen geluidloos zijn
geworden of vervangen door Zeppelins? Voor autowegen eindelijk onder de grond
zijn opgeborgen? Voor polder De Punt werkelijk het paradijsje is geworden dat
het kan zijn?
