
Er broedt
weer een merel in de voortuin. Gelukkig dit keer niet in de roos pal naast de
voordeur. Telkens als we de deur uitgingen, bezorgden we het diertje een
hartverzakking. Dit jaar nestelen ze in een dichte donkergroene struik langs
het tuinpaadje. Ik kan het niet laten om bij het voorbijgaan telkens even
tussen de bladeren door te gluren. Daar zit ze dan weer. Moeder merel vastgekleefd
op het nest. Een groot starend oog. Een hysterische blik. Pa die opgewonden
roepend van tak naar tak hipt in een poging je aandacht af te leiden.
Maar de
ellende begint pas als de jongen straks het nest verlaten. Onhandige dikke
wezens zonder staart, die nog niet kunnen vliegen. Die wat hulpeloos in de
voortuin rondscharrelen roepend om hun moeder. Een makkelijke prooi voor
katten, waaronder onze eigen. Laffe theemutsen die bij het zien van die sneue
donsbollen in kille moordmachines veranderen. Hoe vaak heb ik niet zo’n vogeltje
voor de klauwen van een van onze katten van de grond opgeraapt en op een tak
gezet? Om dan soms toch nog te moeten toekijken hoe het diertje even later
alsnog een vreselijke dood sterft.
Ik hoop dat
die ellende ons dit jaar bespaard blijft.
Update: drie jonkies geboren!
